Kaatje werd geboren als dochter van Brecht, herbergierster van “In den Gouden
Walvisch”. Haar wettelijk vader was kapitein ter walvisvaart, maar ten
tijde van Kaatje’s geboorte voer hij al tien maanden op zee… waarvan hij
nimmer terug zou keren. Brecht heeft nooit bekend gemaakt wie de echte
vader van haar enige dochter was.
Zeker moet hij worden
gezocht onder de notabelen van het stadje. Al op achttienjarige leeftijd
zwaaide Kaatje, nadat haar moeder was overleden, als cheffin de
pollepel “In den Gouden Walvisch”. Maar meer dan dat ontpopte zij zich
als een perfecte gastvrouw voor de kooplieden, reders en kapiteins van
Blokzijl. Die, en hun vele relaties, verspreidden de roem van Kaatje’s
kookkunst over de wereldzeeën.
Kaatje had, blijkens de vele
verhalen en ballades, een grote charme en wist uitstekend met de mannen
om te gaan. Trouwen deed zij nimmer. Haar grote liefde was de zeeman
Hilbert, kapitein en kaper in staatsdienst, die gezworen had zich niet
eerder aan land te vestigen dan dat hij fortuin had vergaard.
Hilbert’s laatste reis was in 1732 nadat hij tien jaar zijn zelfstandig
kapersdomicilie had gehad op Madagascar. Hij keerde schatrijk terug
naar Blokzijl. Te laat voor de inmiddels ook welgestelde Kaatje. Zij was
in de maand september van het jaar 1732 overvallen en beroofd. Daarbij
bezweek zij aan haar ernstige verwondingen. Behalve het geld en de vele
kostbaarheden namen de rovers ook Kaatje’s receptenboeken mee. De daders
werden nimmer gevonden, maar wel doken er later in de Zuiderzeesteden
regelmatig recepten op die aan Kaatje werden toegeschreven. Hilbert
keerde terug naar zijn eiland en vestigde zich voorgoed in Madagascar.
Een legende, ontsproten aan de verbeelding van Fr.M. Wiedijk
Bron: Kaatje bij de Sluis Blokzijl
Zie ook: Canon van Blokzijl




