Blijkens
een aantekening in het Kerkarchief is het oprichtingsjaar van het
Weeshuis 1676. Dus enkele jaren nadat Stadhouder Prins Willem III aan
Blokzijl de stadsrechten had verleend. Prins Maurits was toen al ruim 50
jaar dood. De naam kan een hommage zijn aan de Prins van Oranje, die
zulke uitstekende banden had met de gemeenschap van Blokzijl.
Het
kan echter ook zijn dat Prins Maurits in zijn tijd al een wezenfonds
heeft gesticht. De wezen werden voor 1676 bij gezinnen ondergebracht die
daarvoor betalingen ontvingen.
Tot 1873 was het Weeshuis gevestigd in twee aangekochte panden die met de gevels naar de Wortelmarkt gericht waren. Het huidige gebouw staat op dezelfde plaats, maar met de voorgevel aan de Brouwerstraat. Scribenten uit 1883 beschrijven het als "lelijk en vormloos".
De laatste wees, de in 1979 overleden Jan Doze, verliet het Weeshuis in 1928. Daarna volgde een grote verbouwing. Er kwam een toneeltje en het werd het verenigingsgebouw van de Hervormde Gemeente. Knapen-, jongelings-, zang-, vrouwen- en andere verenigingen vonden er een plaats. Maar ook vele bruiloften en uitvaarten werden daar verzorgd.
De Weeshuisgeschiedenis
Alvorens in te gaan op de rijke historie van Inkomsten van het Prins
Maurits Weeshuis, zij vermeld dat ook de Doopsgezinden halfweg de
zeventiende eeuw graag een weeshuis wilden hebben. Een verzoek daartoe
van predikant Cotius werd door de Ridderschap en Steden afgewezen,
vermoedelijk op aanstichten van het stadsbestuur. Dat weeshuis moet er
toch gekomen zijn, want in 1682 verleent datzelfde college vrijdom aan
het Monnonieten Weeshuis van accijns op het Gemaal (korenmolen), het
Geslacht (slachtdieren) en de Bieren. Die vrijstelling wordt in het jaar
1700 nogmaals verlengd.
Het bestuur van het Hervormde Weeshuis werd
gevormd door 4 Provisoren (namens de Gemeente) en 4 Diaconen (namens de
kerk). Soms was er een stel Weesouders, vaak echter alleen een
Weesmoeder, maar altijd was er geld nodig. Daar voorzag men in als
volgt:
De spinnerij
In 1678, twee jaar na de
oprichting, besluiten de opzieners van het weeshuis tot het oprichten
van een Spinhuys tot Zeygaarn. Zijdegaren werd echter nooit afgeleverd.
Vier jaar later heeft men meer succes met een Hennepspinnerij.
De eerste spinbaas is Kornelis Pers Swemmer. De ruwe hennep komt uit
Amsterdam en de gesponnen hennep gaat daarheen terug. Loonwerk dus tegen
10 centen per pond; na verloop van 2 maanden: 11 centen.
Na 1711 daalde de produktie snel en in 1724 liep het af met de spinnerij.
De matterij
In1700 werd aan een verzoek van Provisoren en Diaconen voldaan om aan het weeshuis een matterij te
verbinden. In de ontveende plassen rond Blokzijl groeide materiaal
voldoende en velen waren voor die tijd al tot huismatten overgegaan. De
proef in 1701, in het weeshuis, leverde twee ontvangsten op, tezamen 47
gulden.
Het duurde tot 1716 voordat de zaak goed op gang kwam. Thomas Pouwels verenigt de functies van Mat-baas en Spin-baas
in zijn persoon. Hij bekomt een laag loon, maar mag vrij wonen in een
huisje aan de Wortelmarkt. De matterij wordt ondergebracht in de vroeger
spinbaan, gelegen naast het Weeshuis in de Brouwerstraat. Vanaf die
tijd spreekt men ook van matbaan of mathuis.
In de bloeitijden (tussen de jaren 1722 en 1735) worden jaarlijks
tussen 400 en 600 rollen matten geleverd, tegen bedragen van fl. 900,--
tot boven de fl. 1200,--.
Na veel ups en downs verdween deze matterij in 1878.
De verhuurafdeling
De Weesvader/moeder en opzieners van het Weeshuis wisen uit veel zaken
geld te slaan. Zo lezen wij in 1693 van uitgeleende tinnen bekers,
houten tafelborden, hijsblok en touw, lijkkleden, slaapbank, ketels,
maar ook van het gebruik van het weeftouw, de weegschal (voor de varkens
e.d.) en de speck- of verckenstrog.
Ook de niet-gebruikte ruimten werden verhuurd.
De boerderij
De feitelijke grondslagen voor de Weeshuisboerderij worden eerst gelegd
in 1821. Door schenking en vererving was er regelmatig grond aan het
Weeshuis toegevallen die men in eigen gebruik ging nemen. De Provisoren
kopen jaar op jaar één of meer melkkoeien, om ze weer te verkopen als ze
uitgediend zijn. Men begon met twee of drie. In 1841 en 1844 had men er
zeker vijf, maar in 1860 en 1861 spreken de rekeningen over "De Koe".
De huid van de overleden koe breng fl. 9,24 op. De melk en de
zelfgekarnde boter werden in het weeshuis geconsumeerd. Wat er
overbleef, werd door de Moeder verkocht en aan de boekhouder afgedragen.
Ook de koemest bracht wat op.
Aan varkensfokkerij heef het Weeshuis
weinig gedaan. In 1824 wordt een mager varken gekocht en in 1846 vinden
we een laatste uitgave van dien aard: fl. 15,-- voor een bigge.
In 1872 besluit de vergadering: "dit jaar geen koeijen te houden". De boerderij verdween.
Het mandenhuis
Weer ten behoeve van het Weeshuis en bedeling werd de instelling "Mande-gelt"
in het leven geroepen. Mandengeld is het bedrag dat de turfschippers
verplicht waren te betalen voor het gebruik van de manden. In 1670 wordt
de eerste opbrengst ad 12 gulden geboekt, zijnde "6 stuijver voor ieder
last".
In 1773 wordt het record van 1710 (400,--) overschreden.
Vele turfschippers e handelaren wisten aan dit mandengeld te ontkomen
door niet ín Blokzijl, maar in de buurt van Muggenbeet hun lasten te
verladen. Het requesst van protest, gericht aan de Overheid, door
Blokzijl, had succes. Er werd een boete ingesteld van 2 Goud-Guldens bij
gebleken nalatigheid.
Om de voorraad manden te bergen, werd in de buurt van het Weeshuis een Mandenhuisje gebouwd, op palen.
Het Weeshuis als reder
Al in 1804 beschikt de vader van het Weeshuis, Gerrit Peters, over een
eerste weeshuis-vaartuig. Deze Peters is, na een hele reeks weesmoeders,
weer de eerste binnenvader. De punter, compleet met punterzeil, komt op
48 gulden. In 1806 levert H. Snoeck een tweede punter, nu voorzien van
zwaarden, voor dezelfde prijs.
In 1813 is één der punters vervangen
door een jachtje, dat te Ter Horne, bij Sneek, gekocht wordt voor 806
gulden. het schip is lang: overstevens 9.91 en wijd 3 meter en hol na
advenant (naar evenredigheid). Het vaartuig krijgt de naam De Jonge Sybre.
Met dit schip bedient de vader: "Het veer van Blokzijl op Meppel, visa
versa", ten voordele van het Weeshuis. Zijn beloning is 1/8 der
inkomsten en zijn scheepsmaatjes zijn weesjongens.
In 1824 wordt de
Jonge Sybre verkocht, vanwege de aangevangen timmerjaren (slijtage). Er
komt een nieuw schip in de vaart, gebouwd in Blokzijl. Roelof en Herman
Wilgenkamp timmeren het nieuwe jacht. Jan Loman levert het ijzerwerk,
Hendrik Pander de zeilen, L. Eijndhoven de mast en de giek, terwijl
Tomas Smit de beschieting doet. Compleet met touwwerk, blokken en andere
scheepsbenodigdheden wordt de totale kostprijs fl. 1425,--, welke som
gelds men door renteloze aandelen bijeenbrengt.
Ruim 25 jaar laetr
wil men eigenlijk weer van dit "weesjacht" af, vanwege de hoge
onderhoudskosten. Toch blijft men er mee doorvaren, vermoedelijk tot
woensdag 22 september 1880.
De Blokzijler Weezen-Stoomboot-Maatschappij
Op de 22ste september 1880 wordt de schroefstoomboot Prins Maurits Weeshuis
in de vaart genomen. J. van Marle is de kapitein (maar ook Weesvader).
Hij verdient als kapitein fl. 300,-- per jaar. Men vormt hiervoor een
kapitaal van fl. 12.000,-- door uitgifte van aandelen ad. fl. 100,--.
Het weeshuis zelf neemt er 10. De commanditaire Vennootschap De
Blokzijler Weezen-Stoomboot-Maatschappij wordt een feit.
Toch was
die stoomboot voor Blokzijl geen primeur. De Blokzijler burgerij wachten
in de eeuw van stoom allang moe en had de handen al eerder
ineengeslagen. In 1878 werd door hen de Blokzijlsche
Stoombootmaatschappij opgericht, die in dat zelfde jaar de Burgemeester
Hartman in de vaart bracht. Op het weezenzeiljacht werden toen de
prjizen verlaagd op de route Steenwijk-Blokzijl v.v. tot 25 ct voor een
passagier en 50 ct voor een koe.
Er volgde een felle
concurrentiestrijd tussen de beide stoomboten en de bevolking van
Blokzijl nam daaraan levendig deel. Economisch gezien kon de
Weezenmaatschappij het niet winnen. Er waren al spoedig tekorten die toe
leiden dat in 1885 een advocaat geraadpleegd wordt of het Weeshuis
(lees: Gemeente- en kerkbestuur) al dan niet in de tekorten moeten
delen. In 1889 valt het doek bij dit Weezenstoombootdrama. Het Weeshuis
past fl. 948,03 bij en schuldeisers ontvangen 780% van hun vordering.
Bron: Blokzijl, een wandeling door de eeuwen, door Fr. M. Wiedijk
Zie ook: Canon van Blokzijl




