Vollenhoofse Diligence Onderneming
Op
15-2-1839 kreeg Albert Harsevoort (Ambt-Vollenhove) een vergunning voor
een diligencedienst van Blokzijl via Vollenhove en Zwartsluis naar
Zwolle. Hij wilde een grote wagen gaan gebruiken met 12 zitplaatsen. Dat
zou dan met tenminste 3 paarden moeten zijn, maar hij kreeg slechts
toestemming voor 2. De dienst was op maandag en vrijdag, vertrek om 5
uur, aankomst na 9 uur in Zwolle. De terugreis begon om 14 uur. Het was
kennelijk niet rendabel, in 1846 verviel de dienst op maandag en kort
daarna werd de zaak verkocht aan Klaas Drost uit Hasselt, die al zo’n
dienst had tussen Zwolle en Zwartlsuis. In 1851 verplaatste zijn
opvolger, Willem Drost, zijn zaak naar Blokzijl. Het bedrijf stopte in
1867. In 1869 probeerde Buitink uit Genemuiden nog een poging met
diverse lijnen maar dat duurde slechts tot 1870.
Tot 1872 konden de Vollenhovenaren slechts met de wekelijkse marktschuit naar Zwolle.
Stoomtram Zwolle-Blokzijl
Metals voorbeeld de stoomtram tussen Den Haag en Schevingen, die in 1879
ging rijden, richtten Sloet van Marxveld, Van Beusekom (Zwartsluis) en
B. loos Jzn (Blokzijl) in 1881 een comité op voor een stoomtram Blokzijl
– Zwolle en zo mogelijk verder naar Stavoren. De aangeschreven
gemeenten hadden of geen belangstelling (Friesland) of er geen geld voor
over. In 1887 werd een nieuwe poging gewaagd, nu Zwolle – Lemmer. Er
was nu wel belangstelling, en er werden allerlei alternatieven voor het
tracé bekeken, wat duurde tot 1891. In 1893 werden de plannen aangepast
tot Zwolle – Blokzijl, een afstand van 35 kilometer, een investering van
530.000 gulden. Het duurde tot 1898 voordat de plannen en de
financiering helemaal uitgewerkt waren. Het zou dan gaan om aanleg van
de lijn met bruggen en stations, aanschaf van 4 locomotieven, 8
rijtuigen en 12 goederenwagons. Men rekende op jaarlijks 40.000
passagiers en vervoer van vee, hout, vis, zout en steenkool. Gedacht
werd aan smalspoor (1,067 meter). De dienst zou 3x daags zijn en op de
vrijdagse marktdag in Zwolle een extra rit. In het committé was o.a. ook
de Vollenhoofse vishandelaar Van Smirren toegetreden, die belang had
bij een goede afvoermogelijkheid van de vis naar Duitsland en Frankrijk.
De gemeente Ambt-Vollenhove deed een poging om de lijn over St.
Jansklooster te laten lopen, maar daar stak Sloet van Marxvelt – die op
de Oldenhof aan de route woonde – een stokje voor. Zwolle wilde, vanwege
de werkgelegenheid, de lijn naar de Lichtmis laten lopen en daar op een
andere lijn laten aansluiten. Er kwam nog een aanbod van een Amsterdams
elektricitietsmaatschappij om het tracé elektrisch te maken, met
bovenleiding. De exploitatie wilde men het liefst overlaten aan een
grotere maatschappij, de NCS.
Op 13-9-1904 werd de
Spoorwegmaatschappij Zwolle-Blokzijl (afgekort ZB) formeel opgericht.
Vanaf de oprichting tot aan zijn dood was de Vollenhoofse
horeca-ondernemer Willem Seidel commissaris van deze onderneming. Hij
was een man met gezag en heeft in verschillende besturen en instellingen
zitting gehad. In de periode van 1899 tot 1915 was hij ook
gemeenteraadslid.
Het realiseren ging niet over rozen. De
beoogde exploitant haakte af en er ontstonden problemen rond het laatste
stuk van het tracé naar het station in Zwolle. In 1911 waren er
problemen met het contract van de hoofduitvoerder en overleed de
‘trekker’ van het project, baron Sloet van Marxvelt, die 30 jaar voor
het project had gevochten. In 1913 was er dan toch een exploitant,
opnieuw de NCS.
In 1912 begon de aanleg en op 19-1-1914 kon er worden
proefgereden. Bij de keuring op 2-3-1914 kwam nog zoveel aan het licht
dat veel snelheidsbeperkingen werden opgelegd, van stapvoets rijden tot
maximaal 20 km per uur. Dat was echter geen belemmering voor de opening
op 11-3-1914. Toen kon er echter vanwege verzakkingen tussen De Krieger
en Vollenhove slechts tot Zwartsluis gereden worden. Dat duurde tot
26-3-1914, toen de stoomtram voor het eerst het stationnetje in
Vollenhove bereikte.
De dienst ondervond regelmatig problemen,
bijvoorbeeld wanneer de waterstand op het Zwarte Water de dijk tussen
Zwartsluis en Hasselt aantastte, en allerlei verzakkingen – vooral in
Zwartsluis. Verder door sneeuwval (zoals op 5-2-1916), maar vooral door
de voorrangsregeling op de brug bij Hasselt over het Zwarte Water.
Vanaf
1920 kwam er langzamerhand concurrentie van autobusdiensten, terwijl de
concurrentie met de bootdiensten was blijven bestaan. Vooral ’s zomers
verkoos menigeen de boot met zijn open dek en lagere prijs boven de
gesloten tramwagons. Vrachtauto’s namen steeds meer van het
vrachtvervoer over. De staking bij houtzagerij Loos in 1925 deed de
kortdurende winstgevendheid in één klap verdwijnen. Door de crisis vanaf
1930 na de beurskracht werd het einde van de dienst ingeluid. Dat kwam
in 1934, ingezet door de overheidsovername van de spoorwegen met
tegelijkertijd opheffen van onrendabele lijnen.
De laatste rit
vond plaats op 31-8-1934, Koninginnedag. Mede omdat inmiddels de
maatschappij een busdienst in het leven had geroepen (De Noord-Westhoek,
NWH) zodat de bewoners van de streek niet zonder openbaar vervoer
kwamen te zitten, werd het toch een feestelijke dag waarbij veel mensen
uitliepen om de tram nog één keer te zien rijden.
In het archief van
de gemeente Vollenhove kan men nog terugvinden het Voorstel van het
gemeentebestuur tot wijziging en aanvulling van de statuten van de NV
Vervoermaatschappij 'De Noordwesthoek voorheen spoorweg Zwolle -
Blokzijl' uit 1936. Daarin ook stukken betreffende een plan tot aanleg
van fietspaden op de verlaten trambaan Zwartsluis - De Krieger en
Moespot – Blokzijl, al opgesteld in 1935 dus zeer kort na het staken van
de dienst.
In de krant van 20 februari 1935 staat dat de laatste
restanten railverbinding van de tramweg Zwolle - Blokzijl zijn
opgebroken en verkocht aan de firma De Vries uit Amsterdam die het
materiaal later voor f 60.000 verkocht aan de plaats Stettin.
Het
tracé rond Vollenhove liep vanaf De Krieger langs de Oldenhof, een
facultatieve stopplaats, naar het station in Vollenhove aan ‘de
Grindweg’, nu Voorpoort. Vandaar ging het in een grote boog langs de
Turfsteeg over de dijk naar De Moespot en vanaf daar langs de voet van
de dijk naar Blokzijl. Er zijn veel haltes ‘op verzoek’, vrijwel bij
elke dwarsweg, zoals bij de Zuurbeek en de Schaarweg.
Bij het station
een perron aan de oostkant, met drie evenwijdige sporen waarvan één als
los- en laadspoor. Het andere spoor is om te kruisen met de
tegenligger. De treintjes zijn maar kort, meestal een locomotief, een
post-bagagewagen en één rijtuig. ’s Morgens waren er doorgaans maar een
tiental reizigers. Aan de straatkant van het station lag ook een spoor
dat naar de haven voerde, langs de Bisschopstraat. Het wordt weinig
gebruikt, zo weinig dat winkeliers er zelfs hun waren op uit stallen: de
tram wordt altijd al een dag van tevoren aangekondigd. De travaille van
smederij Van Heerde stond zo krap langs het spoor dat er een stuk vanaf
gezaagd moest worden om de wagons vrij baan te geven.
Een vierkant
locomotiefje duwde de wagon naar de geadresseerde. Die moest dan zelf,
na te hebben uitgeladen, de wagon weer naar het station terug duwen: de
locomotief kon er niet keren. In die tijd was er weinig bulkvervoer,
afgezien van de bruinkoolbriketten voor Marxveld en Tilvoorde. De grote
jaren van de visexport waren al voorbij.
Bron: www.henkvanheerde.nl
Zie ook: Canon van Blokzijl




