Het bier is, ook in Blokzijl, vanouds de volksdrank bij feestelijke of droeve gelegenheden.
In de tijd van Kaatje en Hilbert was bier dikwijls gezonder dan het
drinkwater dat via de gebruikelijke regenputten werd opgevangen. Vast
staat, dat het water van bierbrouwer Harm Claesz. in 1710 wonend naast
de herberg van Kaatje, van uitstekende kwaliteit genoemd kon worden.
Boven zijn brouwerijen exploiteerden de voorvaderen van Harm al een
‘Proeflokaal’, waarvan anno nu de sporen nog duidelijk aanwezig zijn.
Harm experimenteerde in de Brouwerstraat graag met zijn gerstenat.
Daarbij had hij, inzake kruiden, een goede adviseuse aan zijn buurvrouw.
Naast het Blocksyl Bier, creëerde dit creatieve stel biermakers
verschillende gelegenheidssoorten. Het was in haar tijd gebruikelijk om
bij geboorten het zogenaamde Kinderbier te drinken, gekoppeld aan een
Kraammaal, dat wel een hele dag kon duren. De Friezen noemden dat
Berneblar. Doodbier, of Droefheidbier dronk men bij begrafenissen. Was
de dode een algemeen geacht persoon, dan sprak men van Loofbier. Stierf
een lid van een Gilde, dan werd er in de gildenkamer Lijkbier gedronken,
aangeboden door de familie van de overledene.
Jonggehuwden kregen
het Hanebier aangeboden. Ook het Pannenbier was in de tijd van Kaatje
heel populair. Men schonk het, zodra een bouwwerk zijn hoogste punt
bereikt had en de dakpannen gelegd konden worden.
De herbergierster
Kaatje verwerkte ook bier in verschillende gerechten. Bierbeslag,
Biersoep, Biermosterd, Bierazijn, Biergist. Haar Bierpap van karnemelk,
meelsoorten en kruidig bier, verwierf grote vermaardheid
De Brouwerijen
In de kelder van de familie Klinkert aan de Brouwerstraat nr. 16 zijn
de restanten van één der brouwerijen van Blokzijl (anno 1640) nog
aanwezig. Het waterreservoir bevat circa 50.000 liter koel, helder
water, waar nu weer Blocksyl Bier van wordt gebrouwen. Ook Anno Nu
blijkt dit water van uitstekende kwaliteit.
Binnen de vesting
telde men vroeger vijf bierbrouwerijen en net buiten de wallen richting
Baarlo, nog eens twee. Al vlak na het ontstaan der forteresse brouwde
men ter plaatse dikke en dunne bieren.
Rond 1600 importeerde men
nog het gerstenat. Voornamelijk uit Noord-Holland. Omdat daar een nogal
forse belasting aangekoppeld zat, verplaatsten enkele Hollandse brouwers
zich naar de Forteresse.
Toen gebeurde het omgekeerde: De
overheden gingen belasting heffen op het brouwen en op de uitvoer van
bier. De laatste brouwerij werd omstreek 1740 gesloten!
Zie ook: Canon van Blokzijl




